Het bijwoord
Je leert het bijwoord vinden: een woord dat zegt hoe, wanneer of hoe erg, en niet bij een ding hoort.
Zo doe je de proef
- Zoek het woord dat zegt hoe, wanneer of hoe erg iets is.
- Vraag: bij welk woord hoort het? Hoort het bij een ding? Dan is het een bijvoeglijk naamwoord.
- Hoort het bij het werkwoord of bij een ander woord? Dan is het een bijwoord.
Een voorbeeld, uitgewerkt
Wijs het bijwoord aan: Hij fietst hard naar school.
- Kijk naar het werkwoord: fietst.
- Vraag: hoe fietst hij? Hard hoort bij fietst en niet bij een ding.
- Dus het bijwoord is hard.
Nog meer voorbeelden
Wijs het bijwoord aan: De soep is erg zout.
- Kijk naar het woord zout.
- Vraag: hoe zout? Erg hoort bij zout en niet bij een ding, dus het bijwoord is erg.
Wijs het bijwoord aan: Wij gaan morgen zwemmen.
- Kijk naar het werkwoord: gaan zwemmen.
- Vraag: wanneer? Morgen hoort bij het werkwoord, dus het bijwoord is morgen.
Let op
Je noemt snel altijd een bijvoeglijk naamwoord.
Kijk waar het bij hoort. De snelle auto: bij een ding, dus bijvoeglijk naamwoord. Hij loopt snel: bij loopt, dus bijwoord.
Tips
- Een bijwoord krijgt nooit een e erbij, een bijvoeglijk naamwoord vaak wel: de snelle auto, maar hij rijdt snel.
Waarom het werkt
Een bijvoeglijk naamwoord hoort bij een ding. Een bijwoord hoort bij iets anders: bij het werkwoord, of bij een ander woord dat zegt hoe iets is. Door te vragen waar het woord bij hoort, hou je ze uit elkaar.