Het bijwoord

Je leert het bijwoord vinden: een woord dat zegt hoe, wanneer of hoe erg, en niet bij een ding hoort.

Zo doe je de proef

  1. Zoek het woord dat zegt hoe, wanneer of hoe erg iets is.
  2. Vraag: bij welk woord hoort het? Hoort het bij een ding? Dan is het een bijvoeglijk naamwoord.
  3. Hoort het bij het werkwoord of bij een ander woord? Dan is het een bijwoord.

Een voorbeeld, uitgewerkt

Wijs het bijwoord aan: Hij fietst hard naar school.

  1. Kijk naar het werkwoord: fietst.
  2. Vraag: hoe fietst hij? Hard hoort bij fietst en niet bij een ding.
  3. Dus het bijwoord is hard.
Nog meer voorbeelden

Wijs het bijwoord aan: De soep is erg zout.

  1. Kijk naar het woord zout.
  2. Vraag: hoe zout? Erg hoort bij zout en niet bij een ding, dus het bijwoord is erg.

Wijs het bijwoord aan: Wij gaan morgen zwemmen.

  1. Kijk naar het werkwoord: gaan zwemmen.
  2. Vraag: wanneer? Morgen hoort bij het werkwoord, dus het bijwoord is morgen.

Let op

  • Je noemt snel altijd een bijvoeglijk naamwoord.

    Kijk waar het bij hoort. De snelle auto: bij een ding, dus bijvoeglijk naamwoord. Hij loopt snel: bij loopt, dus bijwoord.

Tips

  • Een bijwoord krijgt nooit een e erbij, een bijvoeglijk naamwoord vaak wel: de snelle auto, maar hij rijdt snel.

Waarom het werkt

Een bijvoeglijk naamwoord hoort bij een ding. Een bijwoord hoort bij iets anders: bij het werkwoord, of bij een ander woord dat zegt hoe iets is. Door te vragen waar het woord bij hoort, hou je ze uit elkaar.