Het voorzetsel

Je leert het voorzetsel vinden: het woordje dat zegt waar iets is of waar het heen gaat.

Zo doe je de proef

  1. Zoek het woordje vlak voor een lidwoord of een naam.
  2. Zegt het waar iets is of heen gaat? Doe de doosproef: in de doos, op de doos.
  3. Past het? Dan is het een voorzetsel.
De voorzetselkast

Een voorzetsel is een woord dat je voor "de kast" kunt zetten.

in de kastop de kastonder de kastnaast de kastvoor de kastachter de kastboven de kasttussen de kast

Een voorbeeld, uitgewerkt

Wijs het voorzetsel aan: De kat zit onder de tafel.

  1. Zoek het woordje voor de tafel: onder.
  2. Doe de doosproef: onder de doos.
  3. Dat past, dus het voorzetsel is onder.
Nog meer voorbeelden

Wijs het voorzetsel aan: Wij lopen naar het park.

  1. Zoek het woordje voor het park: naar.
  2. Doe de doosproef: naar de doos.
  3. Dat past, dus het voorzetsel is naar.

Wijs het voorzetsel aan: Het cadeau ligt achter de bank.

  1. Zoek het woordje voor de bank: achter.
  2. Doe de doosproef: achter de doos.
  3. Dat past, dus het voorzetsel is achter.

Let op

  • Je wijst het lidwoord aan dat erachter staat, zoals de in onder de tafel.

    Het voorzetsel staat vóór het lidwoord. Doe de doosproef: de de doos past niet, onder de doos wel.

Tips

  • Een voorzetsel zegt niet altijd waar: ook met, voor en na zijn voorzetsels.
  • Staat er in de zin een woordje met een lidwoord en een naam erachter, dan is dat woordje vaak een voorzetsel.

Waarom het werkt

Voorzetsels zijn korte woordjes als in, op, onder, naast en achter. Ze staan voor een lidwoord of een naam. Met de doosproef test je ze: in de doos, op de doos, onder de doos. Past het, dan is het een voorzetsel.