Het bijvoeglijk naamwoord
Je leert het bijvoeglijk naamwoord vinden: het woord dat zegt hoe een ding is.
Zo doe je de proef
- Zoek eerst het zelfstandig naamwoord.
- Kijk naar het woord vlak ervoor.
- Zegt dat hoe het ding is, zoals groot, rood of oud? Dan is het een bijvoeglijk naamwoord.
Een voorbeeld, uitgewerkt
Wijs het bijvoeglijk naamwoord aan: De rode auto rijdt weg.
- Zoek het ding: auto.
- Vraag: hoe is de auto? Rode zegt hoe de auto is.
- Het bijvoeglijk naamwoord is rode.
Nog meer voorbeelden
Wijs het bijvoeglijk naamwoord aan: Wij wonen in een oud huis.
- Zoek het ding: huis.
- Vraag: hoe is het huis? Het bijvoeglijk naamwoord is oud.
Wijs het bijvoeglijk naamwoord aan: Mijn zus leest een spannend boek.
- Zoek het ding dat gelezen wordt: boek.
- Vraag: hoe is het boek? Het bijvoeglijk naamwoord is spannend.
Wijs het bijvoeglijk naamwoord aan: De soep is warm.
- Zoek het ding: soep.
- Vraag: hoe is de soep? Het bijvoeglijk naamwoord is warm, ook al staat het niet vlak voor de soep.
Let op
Je wijst het lidwoord aan, omdat het ook voor het ding staat, zoals de in de rode auto.
Het lidwoord is de, het of een. Het bijvoeglijk naamwoord staat ertussen en zegt hoe het ding is.
Tips
- Het woord krijgt vaak een e erbij: de rode auto, maar een rood huis.
- Het bijvoeglijk naamwoord staat vaak voor het ding, maar soms ook erachter: de soep is warm.
Waarom het werkt
Een bijvoeglijk naamwoord hoort bij een ding en zegt iets over dat ding: groot, rood, oud, spannend. Daarom zoek je eerst het ding. Het woord dat vertelt hoe het is, staat er meestal vlak voor.