Woordsoorten

Oefen deze leerlijn

  1. 1Lidwoord en naamwoordDe drie woordsoorten waarmee elke zin begint: de, het, een — en waar ze bij horen.
    • Het lidwoord
    • Het zelfstandig naamwoord
    • Het bijvoeglijk naamwoord
    Uitleg: Er zijn er maar drie · Zet er de, het of een voor · Het zegt hoe iets is
    Vanaf groep 4 · 24
  2. 2Het lidwoordDe, het of een aanwijzen in de zin.
    • Het lidwoord
    Uitleg: Er zijn er maar drie
    Vanaf groep 4 · 8
  3. 3Het zelfstandig naamwoordMensen, dieren, dingen en planten waar je de, het of een voor kunt zetten.
    • Het zelfstandig naamwoord
    Uitleg: Zet er de, het of een voor
    Vanaf groep 4 · 8
  4. 4Het bijvoeglijk naamwoordWoorden die vertellen hoe iets is (mooi, groot, snel).
    • Het bijvoeglijk naamwoord
    Uitleg: Het zegt hoe iets is
    Vanaf groep 4 · 8
  5. 5Samengestelde woordenTwee losse woorden die samen één nieuw woord vormen.
    • Samengestelde woorden
    Uitleg: Twee woorden die samen één woord zijn
    Vanaf groep 4 · 10
  6. 6Werkwoord en voorzetselWat er gebeurt, waar het gebeurt, en de woordjes die een naam vervangen.
    • Het werkwoord
    • Het voorzetsel
    • Het persoonlijk voornaamwoord
    • Het telwoord
    Uitleg: Zet er ik of wij voor · Het zegt waar iets is · Het staat in de plaats van een naam · Hoeveel, of de hoeveelste?
    Vanaf groep 5 · 32
  7. 7Het werkwoordDoewoorden: wat iemand doet of wat er gebeurt.
    • Het werkwoord
    Uitleg: Zet er ik of wij voor
    Vanaf groep 5 · 8
  8. 8Het voorzetselKastwoorden: voor, achter, op, in, onder de kast.
    • Het voorzetsel
    Uitleg: Het zegt waar iets is
    Vanaf groep 5 · 8
  9. 9De drie voornaamwoordenWie doet het (ik, hij), van wie is het (mijn, hun), en welke bedoel je (deze, die)?
    • Het persoonlijk voornaamwoord
    • Het bezittelijk voornaamwoord
    • Het aanwijzend voornaamwoord
    Uitleg: Het staat in de plaats van een naam · Van wie is het? · Kun je ernaar wijzen?
    Vanaf groep 6 · 24
  10. 10Persoonlijk voornaamwoordVervangt een persoon of ding: ik, jij, hij, wij, zij, het.
    • Het persoonlijk voornaamwoord
    Uitleg: Het staat in de plaats van een naam
    Vanaf groep 6 · 8
  11. 11Bezittelijk voornaamwoordGeeft aan van wie iets is: mijn, jouw, zijn, haar, ons, hun.
    • Het bezittelijk voornaamwoord
    Uitleg: Van wie is het?
    Vanaf groep 6 · 8
  12. 12Aanwijzend voornaamwoordWijst iets aan: deze, die, dit, dat.
    • Het aanwijzend voornaamwoord
    Uitleg: Kun je ernaar wijzen?
    Vanaf groep 6 · 8
  13. 13Het telwoordAantallen en rangnummers: drie, twintig, eerste, laatste.
    • Het telwoord
    Uitleg: Hoeveel, of de hoeveelste?
    Vanaf groep 6 · 8
  14. 14Bijwoord en tussenwerpselHet woord dat bij het werkwoord hoort, en het woord dat er los bij staat.
    • Het bijwoord
    • Het tussenwerpsel
    Uitleg: Waar hoort dit woord bij? · Een woord dat er los bij staat
    Vanaf groep 7 · 16
  15. 15Het bijwoordVertelt iets over een werkwoord of ander woord: gisteren, heel, erg.
    • Het bijwoord
    Uitleg: Waar hoort dit woord bij?
    Vanaf groep 7 · 8
  16. 16Het tussenwerpselUitroepen en kreetjes: au, hoera, foei, oei, hé.
    • Het tussenwerpsel
    Uitleg: Een woord dat er los bij staat
    Vanaf groep 7 · 8
  17. 17Alle woordsoorten door elkaarAlle elf woordsoorten door elkaar in één oefenreeks.
    • Het lidwoord
    • Het zelfstandig naamwoord
    • Het bijvoeglijk naamwoord
    • Het werkwoord
    • Het voorzetsel
    • Het persoonlijk voornaamwoord
    • Het bezittelijk voornaamwoord
    • Het aanwijzend voornaamwoord
    • Het telwoord
    • Het bijwoord
    • Het tussenwerpsel
    Uitleg: Er zijn er maar drie · Zet er de, het of een voor · Het zegt hoe iets is · Zet er ik of wij voor · Het zegt waar iets is · Het staat in de plaats van een naam · Van wie is het? · Kun je ernaar wijzen? · Hoeveel, of de hoeveelste? · Waar hoort dit woord bij? · Een woord dat er los bij staat
    Vanaf groep 7 · 88
  18. 18Elk woord benoemenEen hele zin, en onder elk woord zijn soort — zoals op de naslagkaart.
    • Elk woord benoemen
    Uitleg: Eén woord tegelijk, en de proef erbij
    Vanaf groep 7 · 18
  19. 19Stoffelijk bijvoeglijk naamwoordWaarvan is het gemaakt: houten, gouden, wollen, zilveren.
    • Het stoffelijk bijvoeglijk naamwoord
    Uitleg: Waarvan is het gemaakt?
    Vanaf groep 5 · 8
  20. 20Trappen van vergelijkingGroot, groter, grootst: stellende, vergrotende en overtreffende trap.
    • De trappen van vergelijking
    Uitleg: Stellend, vergrotend of overtreffend?
    Vanaf groep 5 · 8
  21. 21Wederkerend voornaamwoordHet woordje dat terugwijst naar het onderwerp: me, je, zich, ons.
    • Het wederkerend voornaamwoord
    Uitleg: Terugwijzen naar het onderwerp
    Vanaf groep 7 · 8