Min tot tien
Je leert een minsom uitrekenen door aan de plus-som te denken die erbij hoort.
Zo reken je het uit
- Draai de min-som om tot een plus-som: 9 − 5 wordt 5 + ? = 9.
- Zoek wat er bij het kleine getal moet.
- Dat getal is je antwoord.
Een voorbeeld, uitgewerkt
9 − 5
- Draai het om: 5 + ? = 9.
- Er moet 4 bij, want 5 + 4 = 9.
- Dus 9 − 5 = 4.
Nog meer voorbeelden
8 − 3
- Draai het om: 3 + ? = 8.
- Er moet 5 bij, want 3 + 5 = 8.
- Dus 8 − 3 = 5.
10 − 7
- Draai het om: 7 + ? = 10.
- Er moet 3 bij, want 7 + 3 = 10.
- Dus 10 − 7 = 3.
7 − 2
- Draai het om: 2 + ? = 7.
- Er moet 5 bij, want 2 + 5 = 7.
- Dus 7 − 2 = 5.
Zelf proberen
7 − 2 =
9 − 6 =
Let op
Je telt de twee getallen op: bij 9 − 5 zeg je 14.
Kijk naar het teken. Bij min wordt het antwoord kleiner dan het eerste getal.
Tips
- Controleer je antwoord met plus: 9 − 5 = 4, want 5 + 4 = 9.
- Je kunt ook vanaf het kleine getal doortellen naar het grote getal.
Waarom het werkt
Plus en min horen bij elkaar: 5 + 4 = 9 betekent ook 9 − 5 = 4. Plussommen tot tien ken je vaak al goed. Door de minsom om te draaien, gebruik je wat je al weet.