Aanvullen tot een rond getal
Je leert hoeveel er bij of af moet om op een rond tiental, honderdtal of duizendtal te komen.
Zo reken je het uit
- Kijk naar het laatste cijfer van het getal.
- Omhoog: vul de eenheden aan tot tien.
- Omlaag: haal de eenheden eraf.
- Moet je naar 100 of 1.000? Spring eerst naar het volgende tiental of honderdtal.
Een voorbeeld, uitgewerkt
62 + _ = 100
- Spring naar het tiental: 62 + 8 = 70.
- Spring naar 100: 70 + 30 = 100.
- Tel de sprongen op: 8 + 30 = 38.
Nog meer voorbeelden
76 + _ = 80
- Kijk naar de eenheden: 6.
- Vul aan tot tien: 6 + 4 = 10.
- Dus 76 + 4 = 80.
56 − _ = 50
- Kijk naar de eenheden: 6.
- Haal ze eraf.
- Dus 56 − 6 = 50.
375 + _ = 1.000
- Spring naar het honderdtal: 375 + 25 = 400.
- Spring naar 1.000: 400 + 600 = 1.000.
- Tel de sprongen op: 25 + 600 = 625.
Zelf proberen
47 − • = 40
56 − • = 50
Let op
Je geeft de eenheden als antwoord bij plus: bij 76 + _ = 80 zeg je 6.
Omhoog zoek je het maatje van tien: bij 6 hoort 4. Alleen omlaag haal je de eenheden zelf eraf.
Je vult allebei de cijfers aan tot tien: bij 62 + _ = 100 zeg je 48.
Reken het na: 62 + 48 = 110, dat is te veel. Spring eerst naar 70, dan heb je nog maar 3 tientallen nodig.
Tips
- Het ronde getal dat je zoekt is het eerstvolgende: na 62 komt 70, na 375 komt 400.
Uitzonderingen
- Eindigt het getal al op 0, zoals 70, dan zit je al op een rond tiental en hoef je niets aan te vullen.
Waarom het werkt
Om van 76 naar 80 te gaan, kijk je alleen naar de 6: bij 6 hoort 4 om tien te maken. Dat zijn de paartjes van tien die je al kent. Van 62 naar 100 is een grote stap. Van 62 naar 70 en van 70 naar 100 zijn twee kleine stappen die je al kunt. Tel je de sprongen op, dan weet je hoeveel er in totaal bij moest.