Handig rekenen met 9, 19, 29
Je leert handig rekenen met getallen als 19, 29 en 99, door eerst met het ronde getal te rekenen.
Zo reken je het uit
- Maak van het tweede getal een rond getal: 19 wordt 20.
- Reken met het ronde getal.
- Je deed er te veel bij of af: zet dat verschil terug.
Een voorbeeld, uitgewerkt
46 + 19
- Maak van 19 een 20.
- Reken: 46 + 20 = 66.
- Je deed 1 te veel erbij, dus haal hem eraf: 66 − 1 = 65.
Nog meer voorbeelden
73 − 29
- Maak van 29 een 30.
- Reken: 73 − 30 = 43.
- Je haalde 1 te veel eraf, dus tel hem erbij: 43 + 1 = 44.
256 + 99
- Maak van 99 een 100.
- Reken: 256 + 100 = 356.
- Je deed 1 te veel erbij, dus haal hem eraf: 356 − 1 = 355.
58 + 18
- Maak van 18 een 20.
- Reken: 58 + 20 = 78.
- Je deed 2 te veel erbij, dus haal ze eraf: 78 − 2 = 76.
Zelf proberen
92 − 19 =
34 + 39 =
Let op
Je zet het verschil de verkeerde kant op terug: bij 73 − 29 doe je 43 − 1 = 42.
Je haalde er te veel af, dus er moet weer iets bij. Bij plus is het andersom.
Je vergeet het verschil terug te zetten: bij 46 + 19 zeg je 66.
Na het rekenen met het ronde getal komt altijd nog één stap: het verschil terugzetten.
Tips
- Het werkt ook met 18, 28 en 98: dan zit je er 2 naast.
- Bij 99 is het ronde getal 100, bij 199 is het 200.
Waarom het werkt
19 is bijna 20, en met 20 reken je veel makkelijker. Je doet dan 1 te veel, dus die zet je daarna terug. Bij plus haal je hem eraf, bij min tel je hem erbij.