Sprongen van tien en één

Je leert sprongen van tien en van één maken, zonder te tellen.

Zo reken je het uit

  1. Kijk of je tien of één springt.
  2. Bij tien verandert alleen het tiental.
  3. Bij één verandert de eenheid, en soms ook het tiental.

Een voorbeeld, uitgewerkt

52 + 10

  1. Spring een tien verder.
  2. Alleen het tiental verandert: 5 wordt 6.
  3. Dus 52 + 10 = 62.
Nog meer voorbeelden

29 + 1

  1. Spring één verder.
  2. Na 29 komt het volgende tiental.
  3. Dus 29 + 1 = 30.

60 − 1

  1. Spring één terug.
  2. Vóór 60 komt 59.
  3. Dus 60 − 1 = 59.

Zelf proberen

  1. 76 + 1 =

  2. 90 − 1 =

Let op

  • Je telt bij een sprong van tien één op: bij 52 + 10 zeg je 53.

    Kijk naar het getal dat je springt. Bij tien verandert het cijfer van de tientallen, bij één het laatste cijfer.

  • Bij 60 − 1 zeg je 50 of 69.

    Eén terug van een rond tiental komt altijd uit op een 9, in het tiental eronder: van 60 naar 59.

Tips

  • Bij een sprong van tien blijft het laatste cijfer hetzelfde.
  • Een sprong van één terug van een rond getal geeft altijd een 9 achteraan.

Uitzonderingen

  • Bij 95 + 10 kom je over de 100 heen: het antwoord is 105.

Waarom het werkt

Bij een sprong van tien verandert alleen het cijfer van de tientallen: 52 wordt 62. Bij een sprong van één verandert de eenheid. Soms kom je dan op een nieuw tiental, zoals van 29 naar 30. Wie dat ziet, rekent later veel sneller met grote getallen.