Rekenen met 25 en 50

Je leert handig rekenen met 25 en 50, door te denken aan kwartjes en halven.

Zo reken je het uit

  1. Denk aan geld: 25 is een kwartje, 50 is een halve, en vier kwartjes zijn 100.
  2. Ga je over het honderdtal heen, spring daar dan eerst naartoe.
  3. Reken daarna de rest in kwartjes.

Een voorbeeld, uitgewerkt

175 + 50

  1. Spring eerst naar het honderdtal: 175 + 25 = 200.
  2. Er moet nog 25 bij, want 50 is twee kwartjes.
  3. Tel de rest erbij: 200 + 25 = 225.
  4. Dus 175 + 50 = 225.
Nog meer voorbeelden

450 − 75

  1. Spring eerst terug naar het honderdtal: 450 − 50 = 400.
  2. Haal de rest eraf: 400 − 25 = 375.

325 + 75

  1. Laat de 300 staan.
  2. Tel 25 + 75 = 100.
  3. Zet het samen: 300 + 100 = 400.

Zelf proberen

  1. 225 + 25 =

  2. 325 + 75 =

Let op

  • Je telt 75 + 25 als 90 of 110.

    Denk aan geld: drie kwartjes en één kwartje zijn vier kwartjes, en dat is precies 100.

Tips

  • Denk aan geld: een kwartje is 25 cent, en vier kwartjes zijn 100 cent.
  • Twee halven en vier kwartjes maken allebei precies 100.

Waarom het werkt

25 is een kwart van 100, en 50 is de helft. Vier kwartjes of twee halven maken samen precies 100. Wie dat weet, ziet meteen dat 175 + 25 op 200 uitkomt.