Plus tot honderd
Je leert plus en min tot honderd, door tientallen en eenheden apart te nemen.
Zo reken je het uit
- Splits allebei de getallen in tientallen en eenheden.
- Reken de tientallen met de tientallen.
- Reken de eenheden met de eenheden.
- Zet de twee uitkomsten samen.
Een voorbeeld, uitgewerkt
65 + 22
- Tientallen: 60 + 20 = 80.
- Eenheden: 5 + 2 = 7.
- Zet ze samen: 80 + 7 = 87.
Nog meer voorbeelden
76 − 12
- Tientallen: 70 − 10 = 60.
- Eenheden: 6 − 2 = 4.
- Zet ze samen: 60 + 4 = 64.
44 + 25
- Tientallen: 40 + 20 = 60.
- Eenheden: 4 + 5 = 9.
- Zet ze samen: 60 + 9 = 69.
Zelf proberen
30 + 40 =
56 + 20 =
Let op
Je zet de cijfers door elkaar: bij 56 + 20 tel je de 2 bij de 6 en krijg je 58.
Kijk goed welk cijfer een tiental is. De 2 in 20 hoort bij de 50, niet bij de 6.
Bij min draai je de eenheden om: bij 73 − 15 doe je 5 − 3.
Haal altijd het tweede getal van het eerste af. Kan dat niet, ga dan eerst naar het tiental.
Tips
- Zeg hardop welke cijfers tientallen zijn en welke eenheden.
Uitzonderingen
- Gaat het bij de eenheden over het tiental, zoals 48 + 27, dan heb je een sprong via het tiental nodig.
Waarom het werkt
In 65 zitten 6 tientallen en 5 eenheden. Houd je tientallen bij tientallen en eenheden bij eenheden, dan reken je met kleine sommen die je al kent. Dat werkt voor plus en voor min.