Plus met tientallen én eenheden

Je leert plussommen met tientallen én eenheden: eerst de tientallen erbij, dan de eenheden.

Zo reken je het uit

  1. Splits het tweede getal in tientallen en eenheden.
  2. Tel eerst de tientallen erbij.
  3. Tel daarna de eenheden erbij.

Een voorbeeld, uitgewerkt

56 + 28

  1. Splits 28 in 20 en 8.
  2. Tel de tientallen erbij: 56 + 20 = 76.
  3. Tel de eenheden erbij: 76 + 8 = 84.
Nog meer voorbeelden

45 + 27

  1. Splits 27 in 20 en 7.
  2. Tel de tientallen erbij: 45 + 20 = 65.
  3. Tel de eenheden erbij: 65 + 7 = 72.

36 + 47

  1. Splits 47 in 40 en 7.
  2. Tel de tientallen erbij: 36 + 40 = 76.
  3. Tel de eenheden erbij: 76 + 7 = 83.

Zelf proberen

  1. 39 + 43 =

  2. 36 + 47 =

Let op

  • Je vergeet het tiental dat erbij komt: bij 56 + 28 zeg je 74.

    Bij 76 + 8 ga je over de 80 heen. Tel dat stuk via het tiental: 76 + 4 = 80 en 80 + 4 = 84.

Tips

  • Splits het tweede getal in tientallen en eenheden, dan zijn het twee makkelijke sommen.
  • Begin bij het grootste getal en tel het kleinste erbij.

Uitzonderingen

  • Zijn de eenheden samen meer dan 10, dan loop je bij de tweede stap over het tiental: spring dan eerst naar het tiental.

Waarom het werkt

Bij 56 + 28 is het veel om in één keer te doen. Splits je 28 in 20 en 8, dan doe je twee kleine sommen na elkaar. De tientallen eerst, want die veranderen het getal het meest.