Plus & min

Oefen deze leerlijn

  1. 1Tot tienVrienden van tien, splitsen, terugrekenen, en plus en min tot tien.
    • Vrienden van tien
    • Splitsen tot tien
    • Terugrekenen tot tien
    • Plus tot tien
    • Min tot tien
    Uitleg: Samen tien · Hoeveel is er nog nodig? · Hoeveel moet eraf voor tien? · Begin bij het grootste · Denk aan de plus-som
    Vanaf groep 3 · 53
  2. 2SplitshuisjesSplitsen tot 10 en tienergetallen in het splitsschema.
    • Splitshuisjes tot 10
    • Splitshuisjes en tienergetallen
    Uitleg: Vrienden van 10 in het splitshuisje · Splitsen in twee kamers
    Vanaf groep 3 · 24
  3. 3Dubbelen en helftenHet dubbele, bijna-dubbel, en de helft terug.
    • Dubbelen en helften
    Uitleg: Het dubbele weet je al
    Vanaf groep 3 · 24
  4. 4Tot twintigTien en nog wat, en plus en min tot twintig binnen het tiental.
    • Splitsen tot twintig
    • Plus tot twintig
    • Min tot twintig
    Uitleg: Boven tien is tien en nog wat · Tel bij het tiental · Haal van de eenheden af
    Vanaf groep 3 · 42
  5. 5Het rekenrekKralen tellen en sommen maken met de 5- en 10-structuur.
    • Rekenrek tot 10
    • Rekenrek tot 20
    Uitleg: Kijk naar de 5 rode en 5 witte kralen · Eerst de volle bovenste stang van 10
    Vanaf groep 3 · 25
  6. 6BussommenInstappen en uitstappen: optellen en aftrekken met de bus.
    • Bussommen: instappen
    • Bussommen: uitstappen
    Uitleg: Tellen wie er instapt · Tellen wie er uitstapt
    Vanaf groep 2 · 32
  7. 7VerdwijnsommenAlles of bijna alles eraf trekken: uitkomst 0 of 1.
    • Verdwijnsommen en bijna-verdwijnsommen
    Uitleg: Alles of bijna alles eraf
    Vanaf groep 3 · 16
  8. 8Over de tienDe grote stap: plus en min over het tiental heen, tot twintig.
    • Plus over de tien
    • Min over de tien
    Uitleg: Maak eerst tien · Ga eerst naar tien
    Vanaf groep 3 · 24
  9. 9Tot honderdSprongen van tien, en plus en min binnen het tiental.
    • Sprongen van tien en één
    • Plus tot honderd
    • Min tot honderd
    • Aanvullen tot een tiental
    Uitleg: Sprongen van tien en één · Tientallen en eenheden apart · Aanvullen tot een rond getal
    Vanaf groep 4 · 60
  10. 10Handig rekenenAanvullen tot 100 en 1000, rekenen met 9, 19, 29 en met 25 en 50.
    • Aanvullen tot honderd
    • Handig rekenen met 9, 19, 29
    • Aanvullen tot duizend
    • Rekenen met 25 en 50
    Uitleg: Aanvullen tot een rond getal · Reken met het ronde getal, en zet het terug · Denk in kwartjes en halven
    Vanaf groep 5 · 41
  11. 11Over het tientalPlus en min over het tiental, met eenheden: 76 + 8.
    • Plus over het tiental
    • Min over het tiental
    Uitleg: Eerst naar het tiental
    Vanaf groep 4 · 24
  12. 12Tientallen én eenhedenDe stap erna: 56 + 28 en 76 − 28.
    • Plus met tientallen én eenheden
    • Min met tientallen én eenheden
    Uitleg: Eerst de tientallen, dan de eenheden · Eerst de tientallen eraf
    Vanaf groep 5 · 24
  13. 13Tot duizendPlus en min tot duizend, en zien wanneer doortellen korter is.
    • Plus tot duizend
    • Min tot duizend
    • Verschil: doortellen
    Uitleg: Reken met ronde stappen · Liggen ze dicht bij elkaar? Tel door
    Vanaf groep 5 · 36
  14. 14Grote getallenPlus en min met getallen boven de duizend.
    • Plus met grote getallen
    • Min met grote getallen
    Uitleg: Rekenen met nullen
    Vanaf groep 6 · 24