Alles
Oefen deze leerlijn
- 1Alle taalVan het lidwoord tot de lijdende zin — alles door elkaar.
- Woordenschat: groep 3
- Woordenschat: groep 4
- Woordenschat: groep 5
- Woordenschat: groep 6
- Woordenschat: groep 7
- Woordenschat: groep 8
- Het lidwoord
- Het zelfstandig naamwoord
- Samengestelde woorden
- Het bijvoeglijk naamwoord
- Het werkwoord
- Het voorzetsel
- Het persoonlijk voornaamwoord
- Het bezittelijk voornaamwoord
- Het aanwijzend voornaamwoord
- Het bijwoord
- Het tussenwerpsel
- Het telwoord
- Het stoffelijk bijvoeglijk naamwoord
- De trappen van vergelijking
- Het wederkerend voornaamwoord
- Elk woord benoemen
- De persoonsvorm
- Alle werkwoorden samen
- Het werkwoord in tweeën
- Het hulpwerkwoord
- Het onderwerp
- Het lijdend voorwerp
- Het meewerkend voorwerp
- De bepaling van tijd
- De bepaling van plaats
- Naamwoordelijk gezegde
- Elk zinsdeel benoemen
- Het voegwoord
- De bijzin
- De lijdende vorm
- Samentrekking
- De hoofdletter
- Aanhalingstekens
- Hoofdletters bij achternamen
- Hoofdletters bij gebouwen en bedrijven
- Het teken aan het eind
- De komma
- De dubbele punt
- Haakjes
- De directe rede
- Die of dat?
- Als of dan?
- Hun, hen of zij?
- Spreekwoorden en gezegden
- Vaste voorzetsels bij werkwoorden
- Dubbelop en stijlfouten
- Figuurlijk taalgebruik
Uitleg: Zoek het woord bij de betekenis · Er zijn er maar drie · Zet er de, het of een voor · Twee woorden die samen één woord zijn · Het zegt hoe iets is · Zet er ik of wij voor · Het zegt waar iets is · Het staat in de plaats van een naam · Van wie is het? · Kun je ernaar wijzen? · Waar hoort dit woord bij? · Een woord dat er los bij staat · Hoeveel, of de hoeveelste? · Waarvan is het gemaakt? · Stellend, vergrotend of overtreffend? · Terugwijzen naar het onderwerp · Eén woord tegelijk, en de proef erbij · Drie proeven, en je hebt er maar één nodig · De persoonsvorm plus de rest · Zet de twee stukken weer aan elkaar · Het werkwoord dat helpt in het gezegde · Wie of wat, plus de persoonsvorm? · Wie of wat, plus persoonsvorm, plus onderwerp? · Aan wie, of voor wie? · Wanneer en waar? De bepalingen · Koppelwerkwoord met een toestand · Eerst de persoonsvorm, dan de rest · Het plakt twee zinnen aan elkaar · Waar staat de persoonsvorm in de zin? · Ondergaat het onderwerp de handeling? · Woorden niet dubbel noemen · Is het een naam? Dan een hoofdletter · Wat komt er tussen de aanhalingstekens? · Kijk wat er vóór het tussenvoegsel staat · Vertel je iets, vraag je iets, of roep je iets? · Waar houdt het ene stuk op? · Er komt iets achteraan · Wat kun je weglaten? · Wat iemand letterlijk uitspreekt · Hoort er de of het bij? · Zijn ze gelijk, of niet? · Doet de groep zelf iets? · Het vaste woord in een uitdrukking · Vaste voorzetsels bij werkwoorden · Twee keer hetzelfde zeggen · Letterlijk of figuurlijk bedoeld?Vanaf groep 8 · 464